10 Decades of Belgian Film
CINEMATEK doet mee aan de Erfgoedtombola om het project “10 Decades of Belgian Film” waar te maken. Het project heeft als doel om per decennium een film te laten restaureren, naar aanleiding van de Belgische verjaardag.
Van 15 september tot en met 15 november kan iedereen gratis stemmen op zijn of haar favoriete project. Wie stemt, maakt bovendien automatisch kans op mooie prijzen via de Erfgoedtombola.
De filmselectie
In totaal werden 12 films geselecteerd, gemaakt tussen 1910 en 2010. Deze films zijn parels van het Belgisch erfgoed, maar hun huidige staat maakt het moeilijk om ze goed te bewaren en vooral om ze nog aan het publiek te tonen. Dankzij dit project kunnen ze niet alleen beter bewaard worden voor de toekomst, maar ook opnieuw toegankelijk worden gemaakt voor het publiek.
Jaren 1910–1919
De historische nitraatfilmcollectie van de Belgische Defensie
Gefilmde actualiteiten – 1914
De Belgische Defensie bouwde doorheen de jaren een cinematografische collectie op van uitzonderlijke historische waarde. Om dit audiovisuele erfgoed optimaal te bewaren, werden de archieven bewaard bij CINEMATEK.
Recent werden 319 elementen van oude nitraatfilms teruggevonden. Ze vereisen dringend identificatie, historisch onderzoek en digitale restauratie. Deze films behoren tot de oudste audiovisuele producties die in België werden gemaakt en vormen uitzonderlijke getuigen van de geschiedenis van ons land. Maar ook van de geschiedenis van de cinema. Door deze beelden te identificeren en te restaureren, kunnen we ze een nieuw leven geven en opnieuw toegankelijk maken voor het publiek, onderzoekers en toekomstige generaties. Zo houden we een belangrijk deel van ons historisch erfgoed levend en geven we het door.
Jaren 1920–1929
La Nuit Rouge van Maurice De Marsan en Maurice Gleize
Fictiefilm / langspeelfilm – stille film, 1923
La Nuit Rouge, ook bekend als Le Moulin Maudit, schreef geschiedenis binnen de Belgische fantastische cinema en illustreert de kracht van de Belgische filmproductie in de jaren 1920.
De film werd gedraaid in de grootste studio van België van die tijd, nabij Vilvoorde. De studio werd opgericht door producent Hippolyte De Kempeneer (Belga Films) en bood onderdak aan Belgische, maar ook Franse, zoals De Marsan en Gleize, en Nederlandse filmmakers.
Het verhaal speelt zich af in enkele uren en op slechts twee locaties. Een pasgetrouwd koppel vertrekt op huwelijksreis en zoekt onderdak in een molen, waar ze een nachtmerrieachtige nacht zullen beleven. De meer gelukkige afloop maakt van de film een bijzondere variant op de klassieke griezelfilm en een opmerkelijke titel binnen de geschiedenis van de fantastische cinema. Tegelijk vormt de film een belangrijke getuigenis van de productiekracht van de Belgische filmindustrie in die periode.
Jaren 1930–1939
Terres brûlées van Charles Dekeukeleire: een reis naar een verdwenen wereld
Documentaire / langspeelfilm – 1934
In de jaren 1920 maakte Charles Dekeukeleire een reeks boeiende experimentele kortfilms die uitgroeiden tot referentiewerken van de Belgische avant-garde. Vervolgens richtte hij zich op de documentaire, een genre waaraan hij zich tot 1962 zou wijden. Met Terres brûlées creëerde hij een opmerkelijk werk op het kruispunt van documentaire, reisfilm en poëzie. De film is bovendien zijn enige uitwijding richting de koloniale cinema.
De cineast reisde per vrachtwagen van Brussel naar Congo, een expeditie ondernomen door commandant Brondeel, die van de Belgische regering de opdracht had gekregen om de landroute in kaart te brengen. Bij elke etappe registreerde Dekeukeleire het dagelijkse leven van de gemeenschappen die hij ontmoette, zonder enscenering en zonder paternalistische blik. Uit deze expeditie ontstaat een uitzonderlijke getuigenis van landschappen, bevolkingsgroepen en leefwerelden. Terres brûlées wordt bewaard in de omvangrijke collectie films van het AfrikaMuseum die bij CINEMATEK zijn ondergebracht. De film maakt deel uit van een documentair erfgoed van grote historische én artistieke waarde. Voor die tijd is vooral de blik van de maker bijzonder: zeldzaam objectief en observerend, maar tegelijk beschrijvend en lyrisch.
Jaren 1940–1949
Le Chevalier sans armure van Jacques Feyder
Fictiefilm / langspeelfilm – 1940
Jacques Feyder was een Belgische cineast die naar Parijs trok om er acteur te worden, maar uiteindelijk achter de camera belandde. Als regisseur groeide hij uit tot een van de belangrijke figuren van de Europese cinema van de jaren 1920 en 1930, onder meer dankzij La Kermesse héroïque (1935), dat een enorm kritisch succes werd.
Eind jaren dertig, begin jaren veertig maakte hij verschillende films buiten Frankrijk, onder andere in Hollywood en het Verenigd Koninkrijk, waar hij met Marlene Dietrich Knight without Armour (1937) realiseerde. Dit belangrijke werk uit Feyders oeuvre en uit de Europese filmgeschiedenis werd tot op vandaag nog niet gerestaureerd. De restauratie zou gebeuren in samenwerking met het prestigieuze British Film Institute (BFI).
Het zou bovendien aansluiten bij de retrospectieve rond Feyder die CINEMATEK in 2027 zal organiseren, in het kader van een internationale conferentie over de regisseur dat datzelfde jaar in Frankrijk zal plaatsvinden. Le Chevalier sans armure illustreert de internationale carrière van Jacques Feyder en toont welke belangrijke plaats Belgische filmmakers konden innemen binnen de wereldgeschiedenis van de cinema. Een restauratie zou ons in staat stellen een belangrijk hoofdstuk uit de Belgische filmgeschiedenis opnieuw zichtbaar te maken en originele beelden uit onze archieven nieuw leven in te blazen.
Jaren 1950–1959
Amateurfilms van René Magritte
Artistieke en experimentele kortfilms – 1957–1967
In 1956 kocht de beroemde kunstenaar René Magritte een camera. In de daaropvolgende jaren maakte hij talrijke amateurfilms, die vandaag bewaard worden in de collecties van CINEMATEK.
Magritte filmde zichzelf, zijn vrouw Georgette en hun hond. Hij legde wandelingen in de Brusselse parken vast, maar ook uitjes en reizen. Sommige films hadden uitgeschreven dialogen, maar zelden was er sprake van een duidelijk verhaal. In plaats daarvan volgen we een reeks vreemde, soms absurde handelingen die niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn.
Ook vrienden en kunstenaars uit zijn omgeving duiken op. Deze gezamenlijke, surrealistische filmfragmenten tonen de speelse en ondeugende geest van Magritte. Zijn vriend Louis Scutenaire merkte ooit op: "Misschien is hij wel nooit zo gelukkig geweest als wanneer hij de camera hanteerde."
De films zijn vandaag nog te weinig bekend. Een restauratie zou ze eindelijk opnieuw zichtbaar en toegankelijk maken en een meer persoonlijke en spontane kant van de kunstenaar onthullen. Tegelijk bieden ze een intieme blik op een minder bekende geschiedenis van het Belgische surrealisme.
Jaren 1960–1969
Pinocchio in Outer Space van Ray Goossens
Animatiefilm / langspeelfilm – 1965
Pinocchio in Outer Space is het begin van het verhaal van Belvision, de studio die Brussel gedurende twee decennia zou uitbouwen tot de hoofdstad van de Europese animatiefilm.
In 1955 richtte de oprichter van het tijdschrift Tintin een grote cartoonstudio op met als doel de avonturen van de helden uit zijn tijdschrift voor televisie te herwerken. Hij haalde daarvoor een Amerikaanse specialist uit de Verenigde Staten naar België, die samenwerkte met een Belgisch team onder artistieke leiding van de Belgische animator Ray Goossens.
Het succes van de eerste kortfilms leidde tot wat de eerste langspeelanimatiefilm zou worden die volledig in Brussel werd gerealiseerd: Pinocchio in Outer Space. In de film trekt Pinocchio samen met zijn schildpad naar andere sterrenstelsels. De film werd in de Verenigde Staten uitgebracht door Universal Pictures en was destijds pas de tweede animatiefilm die door de studio werd gedistribueerd. Tegelijk populair, gedurfd en typerend voor de inventiviteit van de Belgische animatiefilm, is dit werk een verborgen parel van ons cinematografisch erfgoed die dringend opnieuw ontdekt mag worden.
Jaren 1970–1979
Mira van Fons Rademakers
Fictiefilm / langspeelfilm – 1971
Ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de Belgische schrijver Stijn Streuvels kregen regisseur Fons Rademakers en schrijver Hugo Claus in 1971 de opdracht om diens roman De teleurgang van de Waterhoek uit 1927 te verfilmen. Het boek had het katholieke België destijds opgeschrikt door zijn seksuele connotaties.
Centraal in het verhaal staat de Waterhoek, een kleine nederzetting aan de Schelde. De komst van een nieuw brugproject verstoort het bestaande evenwicht en splijt de dorpsgemeenschap. Tussen beide kampen bevindt zich Mira, die heen en weer wordt geslingerd en uitgroeit tot het object van ieders verlangen. Zo zal zij uiteindelijk een belichaming van verandering worden. De film toont een landelijk België dat geconfronteerd wordt met modernisering. Maar de film is ook een getuigenis van diep menselijke spanningen: onze verhouding tot de plek waar we wonen, tot verandering en tot de gemeenschap waartoe we behoren.
Jaren 1980–1989
Madame V. Monsieur S. van Violaine de Villers & Jean Marc Turine
Documentaire / middellange film – 1989
Cineaste Violaine de Villers maakt al decennialang geëngageerde documentaires en kunstfilms en neemt ons daarbij mee van het ene universum naar het andere. Jean Marc Turine is schrijver, cineast en producent. Samen realiseerden ze deze documentaire over de getuigenissen van de Holocaust en de nazi-deportaties.
Betty Van Sevenant was een jonge Brugse verzetsstrijdster die in 1942 werd gearresteerd en gedeporteerd. Tobias Schiff, een Poolse inwoner van Antwerpen, werd in datzelfde jaar samen met zijn ouders gedeporteerd. Twee afzonderlijke verhalen, maar tegelijk twee tragisch gelijklopende levensgeschiedenissen, getekend door pijn, lijden en strijd. Met terughoudendheid, maar ook met grote emotionele kracht, wordt hun lijden op dezelfde manier zichtbaar gemaakt: door het dagelijkse leven binnen de verschrikking te vertellen. Bijna veertig jaar na de realisatie ervan krijgt de restauratie van Madame V. Monsieur S. een bijzondere betekenis. Audiovisuele documenten waarin overlevenden rechtstreeks zelf aan het woord komen, vormen vandaag een onvervangbare herinnering, zeker nu de laatste rechtstreekse getuigen van deze geschiedenis geleidelijk verdwijnen.
Jaren 1990–1999
Achterland van Anne Teresa De Keersmaeker
Kunstfilm / langspeelfilm – 1994
Achterland is de verfilming van een voorstelling van een van de grootste hedendaagse choreografen, de Belgische Anna Teresa De Keersmaeker. De film werd opgenomen in de repetitiestudio van haar dansgezelschap Rosas in Brussel.De voorstelling neemt een belangrijke plaats in De Keersmaeker’s parcours tijdens de jaren 90 in: het is de eerste keer dat de choreografe de muzikanten volledig probeert te integreren in de dynamiek op scène, een benadering die ze sindsdien verder is blijven uitdiepen.De camera registreert niet zomaar de voorstelling, maar wordt een volwaardig choreografisch instrument. Ze ontleedt de voelbare spanning tussen de dansers, maar ook tussen de lichamen en de muziek. Ritmes en beelden komen samen in een fascinerend werk dat onder meer Beyoncé inspireerde voor haar videoclip Countdown uit 2011. Een restauratie is noodzakelijk om dit hoogtepunt uit de Belgische kunstcreatie voor de toekomst te bewaren en ervoor te zorgen dat het ook in de toekomst kan worden bekeken, bestudeerd en doorgegeven.
Jaar 2000
Iedereen Beroemd! van Dominique Deruddere
Fictiefilm / langspeelfilm – 1999
Tot hoever is een vader bereid te gaan om zijn dochter beroemd te maken? Dat is de tegelijk grappige, maar ook kwetsbare vraag die Dominique Deruddere stelt in Iedereen Beroemd!.
Jean Vereecken, een ontslagen fabrieksarbeider, droomt ervan om van zijn zeventienjarige dochter een ster te maken. Hij ontvoert een populaire Vlaamse zangeres in de hoop in ruil voor haar vrijheid een platencontract voor zijn dochter te bemachtigen. De Vlaamse cineast onderzoekt onze behoefte aan erkenning en onze fascinatie voor beroemdheid. De komedie, die in 1999 uitkwam, blijkt vandaag verrassend profetisch. Lang vóór de explosie van de sociale media wordt Marva een soort influencer avant la lettre en legt de film de mechanismen bloot van een samenleving waarin iedereen ervan kan dromen gezien, geliefd en toegejuicht te worden. Iedereen beroemd! werd in 2001 genomineerd voor een Oscar voor Beste Niet-Engelstalige Film en getuigt ook van de vitaliteit en internationale uitstraling van de Belgische cinema. Een restauratie zou het mogelijk maken om dit tegelijk populaire en eigenzinnige werk opnieuw te ontdekken, een film die opmerkelijk veel aankaart over de dag van vandaag.
Jaren 2000–2010
Ultranova van Bouli Lanners
Fictiefilm / langspeelfilm – 2005
Bouli Lanners begon als acteur, onder meer dankzij zijn deelname aan het komische programma Les Snuls. Vervolgens nam hij op autodidactische wijze plaats achter de camera. Na twee kortfilms realiseerde hij met Ultranova zijn eerste langspeelfilm.
De film speelt zich af in een België dat bijna onwerkelijk lijkt. Lanners filmde industrieterreinen en braakliggende gronden in Wallonië in Scope-formaat en wist zo hun onverwachte schoonheid naar voren te brengen. Hij ontwikkelt een geheel eigen blik op de marges van de stad en op de mensen die er leven. Via een eenvoudig en intiem verhaal geeft de cineast poëzie en schoonheid aan een alledaagse werkelijkheid die op het eerste gezicht somber lijkt. Ultranova werd vertoond op de Berlinale en bekroond met de prijs van de Cinémas d’Art et Essai. De film vormt een belangrijke mijlpaal in de recente geschiedenis van de Belgische cinema en bevestigde Bouli Lanners als cineast, naast zijn carrière als acteur.
Een restauratie zal deze diep menselijke blik op België aan het begin van de jaren 2000 levend kunnen houden.
Jaren 2000–2010
Lost Persons Area van Caroline Strubbe
Fictiefilm / langspeelfilm – 2010
Lost Persons Area, de eerste fictiefilm van de Vlaamse regisseur Caroline Strubbe, vertelt op intieme wijze over de moeilijkheden waarmee een gezin geconfronteerd wordt en hoe het hier doorheen worstelt.
De personages leven in een niemandsland, omgeven door immense elektriciteitsmasten, mobilhomes en landschappen die zich eindeloos lijken uit te strekken. Elk van hen probeert vooruit te komen en geluk te vinden, maar botst daarbij voortdurend op de beperkingen van het dagelijkse leven. Dit gevoelige verhaal, opgebouwd uit stiltes, spanningen en hoop, werd in 2009 in Cannes bekroond met de SACD-prijs. Het vormt het eerste deel van een trilogie, die in 2025 werd afgesloten met The Silent Treatment.
De eerste langspeelfilm van de cineaste werd destijds gesteund door de spelers van de Nationale Loterij en vertoond in onder meer het MoMA in New York. Daar werd haar werk als volgt omschreven: “Caroline Strubbe is een stem die ik nog niet eerder had gehoord. Een intieme, gedetailleerde en realistische stem, bijna tastbaar, maar tegelijk ook enigmatisch, ongrijpbaar en respectvol tegenover het mysterieuze karakter van mensen en plaatsen.”