ITALIA '58-'77 DE GOUDEN JAREN
04.07 > 31.08
De zomer van CINEMATEK staat in het teken van la dolce vita. Gedurende juli en augustus presenteren we u het beste uit de Gouden Tijd van de Italiaanse cinema, van Viaggio in Italia van Roberto Rossellini tot De klompenboom van Ermanno Olmi. En onderweg passeren alle grote regisseurs uit die tijd de revue: Luchino Visconti, Federico Fellini, Vittorio De Sica, Bernardo Bertolucci, Francesco Rosi, Ettore Scola, Pier Paolo Pasolini, Sergio Leone, de Taviani's en Michelangelo Antonioni (van wie we L'avventura op een nieuwe kopie heruitbrengen in FLAGEY).
Nadat Italië na W.O. II dankzij het rauwe neorealisme voor een tijdje het brandpunt was geweest van de wereldcinema, verschoof eind jaren 50 het zwaartepunt opnieuw naar Italië (al moest de eer dan wel gedeeld worden met Frankrijk en zijn Nouvelle Vague). Maar in Italië was de vernieuwingsdrift niet het resultaat van één nieuwe stroming, neen, er waren verschillende tendensen merkbaar. Zo was er de evolutie van een aantal neorealistische regisseurs: Roberto Rossellini draaide een aantal opmerkelijke kostuumfilms (Vanina vanini), Vittorio De Sica wisselde af tussen de erfenis van het neorealisme (La ciociara) en populaire komedie (Matrimonio all'italiana), terwijl Luchino Visconti, die nooit een echte neorealist geweest was, een cinematografische vrijheid koppelde aan sterke, doorleefde drama's (Rocco e i suoi fratelli, Il gattopardo). Ook Fellini, die even flirtte met de uitlopers van het neorealisme, koos in de jaren 60 resoluut voor een modernisme waarin de traditionele verhaalstructuren overhoop gegooid worden (La dolce vita, Otto e mezzo, Roma). Het modernisme reveleerde nog een andere grote Italiaanse maestro, Michelangelo Antonioni, wiens beste werk focuste op de emotionele kortsluitingen bij de moderne mens (L'avventura, La notte, L'eclisse). Maar de Italiaanse cinema was niet volledig in de ban van het modernisme. Er werden in diezelfde periode ook nog onverbloemde komedies gedraaid, en drie van die meesters van die commedia all'italiana waren Dino Risi (I mostri, een omnibusfilm over twintig kleine monstruositeiten), Mario Monicelli (De vrijwillige gevangene) en Luigi Comencini (van wie we Incompreso en La ragazza di Bube vertonen, weliswaar geen komedies).
Maar in de Gouden Jaren van de Italiaanse cinema stonden ook een aantal nieuwe namen op, en die konden natuurlijk niet ontbreken in deze anthologie. Pier Paolo Pasolini, de schrijver die de stap naar de cinema zette, maar altijd buiten elke mode of tendens bleef (Teorema). Bernardo Bertolucci, wiens werk zowel aansloot bij de politieke cinema van de jaren 70 (Il conformista) als bij de seksuele bevrijding die de cinema van dat decennium kenmerkte (Last tango in Paris). Maar de opmerkelijkste Italiaanse politieke filmers uit dat tijdgewricht waren Francesco Rosi (Il caso Mattei) en Elio Petri (La classe operaia va in paradiso). Ettore Scola bewees dan weer dan je een politieke boodschap ook kunt verpakken in een komedie (C'eravamo tanto amati), een familiedrama (Bruttti sporchi e cattivi) of een intens Kammerspiel (Una giornata particulare).
En natuurlijk zijn er in die Gouden Tijd ook buitenbeentjes die nergens bij horen. Zoals de broers Paolo en Vittorio Taviani (Allonsanfàn, Padre padrone), anarcho-estheet Marco Ferreri (La grande bouffe, Dillinger e morto), Vittorio De Seta (Banditi a Orgosolo), Valerio Zurlini (La ragazza con la valigia), Gillo Pontecorvo (La battaglia di Algeri), Carmelo Bene (Salomè), enfant terrible Marco Bellocchio (Nel nome del padre, I pugni in tasca) en natuurlijk de koning van de spaghettiwestern Sergio Leone (The good, the bad and the ugly). De kortste weg naar Italië is deze zomer een filmticket.
+ Meer weten